Piz­za in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɪ·t͡sa/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Piz·za
Plural: Piz­zas f de ˈPiz|za
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
=
pizza
Engels:
=
pizza
Duits:
=
Pizza