Mi­nis­ter­prä­si­dent in het Nedersaksisch

Uitspraak: /mɪˈnɪs·tɐ·pɾɛ·sɪˌdɛnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mi·nis·ter·prä·si·dent
Plural: Mi­nis­ter­prä­si­den­ten m de Mi­nis­ter­prä­si­dent
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Minister + Präsident