Stick­saag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɪkˌzɔːˑç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stick·saag
Plural: Stick­sa­gen f de Stick­saag
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Saag