Hoog­moor in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔu̯çˌmɔu̯ɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hoog·moor
Plural: Hoog­moor n dat Hoog­moor
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Soort Biotop
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hoog + Moor