Topp­seil in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɔpˌzaɪ̯l/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Topp·seil
Plural: Topp­seils n dat Topp­seil
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Topp + Seil