Grootdeel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɾɔu̯tˌdɛɪ̯l/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Groot·deel
Plural: Grootde­len f de Grootdeel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: groot + Deel