Kars­beer­steen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈka͡ɐsˌbɛː͡ɐ·stɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kars·beer·steen
Plural: Kars­beer­steen m de Kars­beer­steen
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Karsbeer + Steen