Pa­pri­ka in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpa·pɾɪ·ka/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pa·pri·ka
Plural: Pa­pri­kas f de Pa­pri­ka
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: