gran­des­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɡɾanˈdɛ·sɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: gran·des·sig
grandessiger grandessigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig