Sö­ven­sprung in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzœm̩ˌspɾʊnk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sö·ven·sprung
m de Sö­ven­sprung
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: söven + Sprung