bun­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bʊn·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bun·tig
buntiger buntigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bunt + -ig