A­ven­röhr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔːm̩ˌɾœɪ̯͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·ven·röhr
Plural: A­ven­röh­ren f de A­ven­röhr
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Aven + Röhr