Kar­fun­kel­steen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /kaɾˈfʊn·kəlˌstɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kar·fun·kel·steen
Plural: Kar­fun­kel­steen m de Kar­fun­kel­steen
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
gem
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Steen