Bot­ter­karn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔ·tɐˌka͡ɐn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bot·ter·karn
Plural: Bot­ter­kar­nen f de Bot­ter­karn
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Botter + Karn