Ohr­lapp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯ɾˌlap/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ohr·lapp
Plural: Ohr­lap­pen m de Ohr­lapp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
lel
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ohr + Lapp