Ge­weev in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌvɛːˑf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·weev
Plural: Ge­weev n dat Ge­weev
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + weven