wrie­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɾiː·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: wrie·tig
wrietiger wrietigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Wriet + -ig