Ach­ter­wark in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐˌva͡ɐk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·wark
Plural: Ach­ter­war­ken n dat Ach­ter­wark
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: achter + Wark