Kast­a­vend in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkastˌɔː·vənt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kast·a·vend
Plural: Kast­a­venn m de Kast­a­vend
Plural: Kast­a­vends m de Kast­a­vend
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kast + Avend