Schoos­te­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔu̯s·tə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schoos·te·ree
Niet gebruikt het pluralis f de Schoos­te­ree
[1]
perifere woordenschat
Examples:
He hett Schoosteree lehrt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schooster + -ee