Bot­ter­spoon in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔ·tɐˌspɔu̯n/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bot·ter·spoon
Plural: Bot­ter­spöön m de Bot­ter­spoon
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Botter + Spoon