Gaudeef in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡaʊ̯ˌdɛɪ̯f/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gau·deef
Plural: Gaudeev m de Gaudeef
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Taschendeev
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: gau + Deef