lüst­jam­me­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlʏstˌja·mə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: lüst·jam·me·rig
lüstjammeriger lüstjammerigst

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Lüstjammer + -ig