Jüf­fer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈjʏ·fɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Jüf·fer
Plural: Jüf­fern f de Jüf­fer
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits: