Wran­gen­wut­tel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɾanɡn̩ˌvʊ·təl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wran·gen·wut·tel
Plural: Wran­gen­wut­teln f de Wran­gen­wut­tel
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Wuttel