gran­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɾa·nɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: gran·nig
granniger grannigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig