Fiel­bank in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfiːlˌbank/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fiel·bank
Plural: Fiel­bänk f de Fiel­bank
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Bank för Handwarksarbeiden
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: fielen + Bank