Sti­cke­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɪ·kə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sti·cke·ree
Plural: Sti­cke­re­en f de Sti­cke­ree
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sticken + -er + -ee