Naamschild in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnɔːˑmˌʃɪlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Naam·schild
Plural: Naamschil­ler n dat Naamschild
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Naam + Schild