Schos­see­boom in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ʃɔ·sɛːˌbɔu̯m/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schos·see·boom
Pluralis: Schosseebööm m de Schos­see­boom Nordniedersächsisch
Pluralis: Schosseebomen m de Schos­see­boom
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schossee + Boom