Veh­markt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛːˌma͡ɐkt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Veh·markt
Plural: Veh­markt m de Veh­markt
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Markt, op den Veh verköfft warrt
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Veh + Markt