Ver­band in het Nedersaksisch

Uitspraak: /fəɾˈbant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ver·band
Plural: Ver­ban­nen m de Ver­band
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Vereenigung
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ver- + Band