Ver­ge­tern­heit in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfəɾˌɡɛː·tɐn·haɪ̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ver·ge·tern·heit
Niet gebruikt het pluralis f de Ver­ge­tern­heit
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: vergetern + -heit