Kran­ken­swes­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈkɾankn̩ˌsvɛs·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kran·ken·swes·ter
Pluralis: Krankenswestern f de Kran­ken­swes­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: krank + Swester