Üm­weg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʏmˌvɛç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Üm·weg
Plural: Üm­weeg m de Üm­weg
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: üm + Weg