Ver­lust in het Nedersaksisch

Uitspraak: /fəɾˈlʊst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ver·lust
Plural: Ver­lus­ten m de Ver­lust
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: ver-