Arf­ten­slu in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa͡ɐftn̩ˌsluː/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Arf·ten·slu
Plural: Arf­ten­sluun f de Arf­ten­slu
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Arft + Slu