Schroot­flint in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɾɔu̯tˌflɪnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schroot·flint
Plural: Schroot­flin­ten f de Schroot­flint
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schroot + Flint