Swien­kö­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsviːnˌkœɪ̯·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Swien·kö·per
Plural: Swien­kö­pers m de Swien­kö­per
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Swien + Köper + Swien + Köper