glit­schig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɡlɪt·ʃɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: glit·schig
glitschiger glitschigst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: glitschen + -ig