Oor­log­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɔu̯ɾ·lɔçˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Oor·log·schipp
Pluralis: Oorlogscheep n dat Oor­log­schipp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Oorlog + Schipp