Rab­bi­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɾa·bɪ·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rab·bi·ner
Pluralis: Rabbiners m de Rab­bi­ner
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
jüüdsch Schriftgelehrten
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -er