pün­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈpʏn·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: pün·tig
püntiger püntigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
geziert
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pünt + -ig