Wett­striet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛtˌstɾiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wett·striet
Plural: Wett­strie­den m de Wett­striet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wetten + Striet