Ver­tell­stück in het Nedersaksisch

Uitspraak: /fəɾˈtɛlˌstʏk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ver·tell·stück
Plural: Ver­tell­stü­cken n dat Ver­tell­stück
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: vertellen + Stück