Ge­schi­cht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌʃɪçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·schicht
Plural: Ge­schi­chten f de Ge­schi­cht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Vertell mi ees en Geschicht, Opa!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: ge-