Bin­nen­lucht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɪn̩ˌlʊxt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bin·nen·lucht
f de Bin­nen­lucht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: binnen + Lucht