bin­nen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɪn̩/
adverb
Afbreking: bin·nen
[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
binnen
Engels:
Duits:
Examples:
[1] Dat du bi dit schöne Wedder hier binnen in de Stuuv sittst!
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
in en afgrenzt Tiedruum
Duits:
Examples:
[1] Binnen 14 Daag will ik mien Geld hebben!
[3]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
rin in wat
Duits:
Examples:
[1] Gah binnen! Hier buten hest du nix verloren!