Kü­ren­ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkyː·ɾənˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kü·ren·ma·ker
Plural: Kü­ren­ma­kers m de Kü­ren­ma­ker
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Küür + Maker