Ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ma·ker
Plural: Ma­kers m de Ma­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: maken + -er + maken + -er